Probleemgedrag

Probleemgedrag of risicogedrag komt bij jongeren vooral tot uiting tijdens de adolescentie, wanneer jongeren tussen 10 tot 18 jaar oud zijn. Dit gedrag wordt voor een deel veroorzaakt door de ontwikkelingsfase waarin jongeren zich bevinden: in hun tienerjaren zijn jongeren al experimenterend op zoek naar wie ze zijn en wie ze willen worden (Erikson). Maar er spelen ook biologische factoren een rol, die de jongere en zijn gedrag beïnvloeden (Stanley Hall). Hiernaast kan probleemgedrag worden veroorzaakt door grote veranderingen in de omgeving van opgroeiende jongeren en hun omgeving (Bronfenbrenner, Garbarino).

In discussies over probleemgedrag worden vaak verschillende vormen onderscheiden. De een legt de nadruk op anti-sociaal gedrag (Rutter), de ander kijkt er heel breed tegenaan en denkt zowel aan externaliserend probleemgedrag, bijvoorbeeld geweld, als aan internaliserend gedrag, bijvoorbeeld depressies (Achenbach, Dryfoos). CtC neemt wat dit betreft een tussenpositie in. CtC onderscheidt zes vormen van probleemgedrag:

  • geweld
  • delinquentie
  • problematisch alcohol- en drugsgebruik
  • schooluitval
  • onveilig vrijen
  • depressie

Probleemgedrag staat meestal niet op zichzelf. Veel vaker is er sprake van meervoudige problematiek: Jongeren zijn gewelddadig én gebruiken drank of drugs, delinquente jongeren verlaten veelal op jonge leeftijd de school. Kern van de CtC methodiek is dat aan bepaalde vormen van probleemgedrag vergelijkbare risicofactoren ten grondslag liggen.